Martijn van der Wiel
"Er is geen grote finishboog, geen harde muziek en geen medaille. Er is wel een lintje gespannen halverwege een grasveld. Er is ook een grote klok, die onverbiddelijk aftelt. Achter het lintje worden wat zenuwen weggelachen als het moment van de start dichterbij komt. De speaker telt af en met een welgemeend “Ja hoor, gaat u maar!” komen we in beweging. Een paar fanatiekelingen sprinten weg, maar de meeste lopers hebben geen haast en al snel slingeren we als een lintje over smalle paadjes en nat gras. Er worden gesprekjes aangeknoopt, tips uitgewisseld en pijltjes gevolgd. Voor we het weten staan we weer op het grasveldje waar we begonnen. De eerste ronde is afgetikt.
Het is een mentaal trucje. Knip een lange afstand op in korte stukjes en opeens lijkt zo’n marathonafstand prima te behappen. Voor de redelijk getrainde loper klinkt 4.2 kilometer als makkelijk te doen. In het halve uur dat voor elke ronde staat, heb je zelfs als je rustig doorloopt nog even tijd om bij te komen, plasje te plegen en een hapje te eten voordat je weer dat kippeneindje van 4.2 kilometer mag lopen. Wat kan er misgaan?
Er zijn geen snelste tijden om bij te houden, maar er hangt wel een groot bord waarop we na elk rondje bij onze naam een vinkje mogen zetten. Al na de eerste ronde verschijnen niet alleen vinkjes en kruisjes; er worden ook gezichtjes getekend, feesthoedjes en complete poppetjes. Ikzelf ben van de poppetjes.
Het bord wordt een soort logboek van de fysieke en mentale gesteldheid van de lopers. Na de eerste drie rondes staan er vooral nette vinkjes en blije gezichtjes. Maar naarmate de rondes oplopen, verandert het bord. Vinkjes worden haastig gezette streepjes en de gezichtjes lachen niet meer, maar kijken stuurs of zelfs bozig.
We beginnen de rondes te voelen en vanaf ronde 6 dunnen de lopers uit. Je kon het al aan het bord zien. ‘Klaar mee!’ schrijft iemand op het bord. Een man die het overduidelijk ook genoeg vindt, kijkt opgelucht naar de lopers die alweer klaar staan voor de volgende ronde. “Fijn dat ik niet meer hoef”.
De laatste paar rondes lopen we met een klein, verbeten clubje. Ieder op zijn of haar eigen tempo. Zelf merk ik dat ik de afstand van 4.2 kilometer steeds anders heb beleefd. Soms vlogen ze voorbij, maar zeker ronde 7 en 8 waren ronduit pittig. Haastig teken ik vermoeide poppetjes achter mijn naam.
De laatste ronde is dan wél weer een feestje. Het is zwaar, zeker… we hebben regen gehad, flinke wind en mooie zonnige perioden, maar iedereen die deze ronde loopt, weet dat we het gaan halen. Als ik tijdens het laatste stukje over het grasveld een sprintje probeer in te zetten, word ik er toch nog net uitgelopen. Het maakt niet uit.
Op het bord teken ik mijn laatste poppetje, met de armen omhoog en een grote glimlach."